Kleine dagen (Bernard Dewulf)
Hoe schrijf ik het uit mijn hoogte nog op. Zo volkomen zit zij, suikerspin van licht en kindertijd. Vertelt zichzelf nog aan zichzelf, schrijft met één haar op haar knie aan de enige eeuwigheid die ons bezoekt.
Razendsnel haalt hij mij in. Mijn verval is zijn bloei. Ooit moet ook ik in zo’n gave camouflage hebben gewoond: een soort engel tussen jongen en man. Nog geen gram vergankelijkheid te zien. Een vel als sneeuw zonder de kattenpoten van de jaren. Waar de zwaartekracht nog tevergeefs aan trekt.
En hoe ik naar zijn punten kijk: terwijl ik tuimel in de tijd. Hoe hij voor me staat in mijn vrees en vlees van toen. Hoe ik nu de vader speel, hoe ik nu de vader naspeel. Hoe ik tegelijk hem én mij ben. Hoe wij bij elkaar staan om een rapport als vertrouwde en vreemde afspraken.