Invisible (Paul Auster)

juli 28, 2012 at 7:00 pm (Boekencitaten)

“More often than not, what stirs the imagination is best kept in the imagination, and Gwyn is aware of that, she is wise enough to know that the distance between thought and deed can be enormous, a gulf as large as the world itself.”

Advertenties

Permalink Geef een reactie

The Moon and Sixpence (Somerset Maugham): meer quotes

juli 3, 2012 at 7:13 pm (Boekencitaten) (, )

“Unconsciously, perhaps, we treasure the power we have over people by their regard for our opinion of them, and we hate those upon whom we have no such influence. I suppose it is the bitterest wound to human pride.”

“Each one of us is alone in the world. He is shut in a tower of brass, and can communicate with his fellows only by signs, and the signs have no common value, so that their sense is vague and uncertain. We seek pitifully to convey to others the treasures of our heart, but they have not the power to accept them, and so we go lonely, side by side but not together, unable to know our fellows and unknown by them.”

“It may be that in order to realize the romance of life you must have something of the actor in you; and, capable of standing outside yourself, you must be able to watch your actions with an interest at once detached and absorbed.”

“I have an idea that some men are born out of their due place. Accident has cast them amid certain surroundings, but they have always a nostalgia for a home they know not. They are strangers in their birthplace, and the leafy lanes they have known from childhood or the populous streets in which they have played, remain but a place of passage. They may spend their whole lives aliens among their kindred and remain aloof among the only scenes they have ever known. Perhaps it is this sense of strangeness that sends men far and wide in the search for something permanent, to which they may attach themselves. Perhaps some deep-rooted atavism urges the wanderer back to lands which his ancestors left in the dim beginnings of history. Sometimes a man hits upon a place to which he mysteriously feels that he belongs. … Here at last he finds rest.”

“There are men whose desire for truth is so great that to attain it they will shatter the very foundation of their world. Of such was Strickland, only beauty with him took the place of truth. … Did I not tell you that I, too, in my way was an artist? I realised in myself the same desire as animated him. But whereas his medium was paint, mine has been life.”

Permalink Geef een reactie

The Moon and Sixpence (Somerset Maugham)

juli 3, 2012 at 6:52 pm (Geen categorie) (, )

Dit boek, verplichte lectuur voor cursisten Engels in het volwassenenonderwijs, heeft mij aangenaam verrast. Ik was sceptisch toen ik het boek begon te lezen (waarom in godsnaam cursisten dit boek laten lezen?), maar de oude meester kon me al snel overtuigen. Enkele quotes:

“The faculty for myth is innate in the human race. It seizes with avidity upon any incidents, surprising or mysterious, in the career of those who have at all distinguished themselves from their fellows, and invents a legend to which it then attaches a fanatical belief. It is the protest of romance against the commonplace of life.The incidents of the legend become the hero’s surest passport to immortality.”

“What chance is there that any book will make its way among the mutlitude of books? … Heaven knows what pains the author has been at, what bitter experiences he has endured and what heartache suffered, to give some chance reader a few hours’ relaxation or to while away the tedium of a journey. … The moral I draw is that the writer should seek his reward in the pleasure of his work and in release from the burden of his thoughts; and, indifferent to aught else, care nothing for praise or censure, failure or success.”

“Perhaps it is only by a kink in my nature … that I felt in such an existence, the share of the great majority, something amiss. I recognised its social value. I saw its ordered happiness, but a fever in my blood asked for a wilder course. There seemed to me something alarming in such esay delights. In my heart was a desire to live more dangerously. I was not unprepared for jagged rocks and treacherous shoals if I could only have change-change and the excitement of the unforeseen.”

“When people say they do not care what others think of them, for the most part they deceive themselves. Generally they mean only that they will do as they choose, in the confidence that no one will know their vagaries; and at the utmost only that they are willing to act contrary to the opinion of the majority because they are supported by the approval of their neighbours. It is not difficult to be unconventional in the eyes of the world when your unconventionality is but the convention of your set. It affords you then an inordinate amount of self-esteem. You have the self-satisfaction of courage without the inconvenience of danger.”

Permalink Geef een reactie

Datumloze dagen (Jeroen Brouwers)

november 6, 2010 at 12:42 pm (Boekencitaten) (, )

…een van deze kruimels was mijn zoon. Het idee, opeens een zoon te hebben! Ik was vijfentwintig jaar en zelf nog een zoon, ik zag mezelf vaag, bleek, in het glas weerspiegeld, wat moest ik met een zoon!

Hij zei ook: je moet in je leven goed in iets zijn geweest, je moet in iets hebben uitgeblonken dat alleen jij op jouw manier van de grond en voor elkaar hebt kunnen krijgen, – het besef dat je daar met voldoening op kan terugkijken, maakt sterven serener.

Hij zei ook: Ik ben de dromer in mijzelf gevolgd. Mensen die hun hele leven met tegenzin achter een loket doorbrengen, iedere dag gelaten naar kantoor gaan, vloeren moeten dweilen, en zeggen dat ze nooit een kans hebben gekregen, wat hebben die met hun dromen gedaan?

Ben jij de dromer in jezelf gevolgd, vroeg hij mij. Ik schudde mijn hoofd … Ik was een surfer, dansend en capriolen uithalend op de branding, tot ik mijn nek brak in het aanrollende golvengeweld … In mijn leven heeft het in hoofdzaak alleen maar gestormd, wat heb ik nagestreefd, wat stel ik al met al nu helemaal voor, struinend door dit onttakelde bos. Doe ik ertoe?

Hij zei: Het leven moet nu en dan krankzinnig idioot zijn, soms moet je er een trap tegen geven zodat alles een ogenblik scheef komt te staan, anders is het een doffe aaneenschakeling van betekenisloze datums, waar je je ten slotte niets van herinnert: willekeurige fragmentjes leven die geen gestructureerd geheel vormen, het leven als opeenvolging van toevallige anekdoten. Nu en dan moet je iets durven, ben je het daarmee eens?

Permalink Geef een reactie

Twee ezels (Michiel Hendryckx)

november 6, 2010 at 12:21 pm (Boekencitaten, Vlaamse auteurs) (, )

Elf jaar hebben we op en in elkaars huid geleefd. Er is geen centimeter van onze lichamen die we niet likten en kusten. Zowat alles wat een vrouw en een man met elkaar kunnen uitspoken, speelden we. Maar zwijgen is nu moeizamer dan spreken. Het is sterker dan alles, ik moet je schrijven. Mag ik geen heimwee hebben naar een vrouw met wie ik nooit meer zou willen leven?

Reizen is als op bezoek gaan bij iemand. De reiziger is de gast. Het reizen heeft zijn eigen codes en beleefdheidsformules die de reiziger van de toerist onderscheiden. Een reiziger is discreet aanwezig, terughoudend, geïnteresseerd en verwonderd.

Hij heeft veel moeite gedaan om dit land te begrijpen. Hij ziet het van binnenuit met de ogen van een verliefde bezoeker. … “Teruggaan naar België is zeer moeilijk. België is zo kneuterig. De mensen zitten er soms jaren met opgekropte gevoelens. Ik ben niet het religieuze type en in België ben ik nooit onder de indruk geweest van de kerk, veel te koud, te veel drempels. De Grieks-orthodoxe kerk is klein, warm, tussen de mensen. Het is niet van hier de kerk en daar het leven, het is een geheel.

Permalink Geef een reactie

Kleine dagen (Bernard Dewulf)

augustus 12, 2010 at 11:39 am (Boekencitaten, Vlaamse auteurs)

Dát. Die verdwijning. Van de verwondering. Een virus onder ondraaglijk zorgdragende volwassenen. Na de adolescentie, na de conceptie, na de barensweeën ziet dat nooit meer een bries in een berk. Fluit nooit meer op een macaroni. Snijdt een rijpe peer middendoor zonder een spoor van herkenning.

Verkrampt in een prozaïsche werkelijkheid.

Hoe gebeurt dit? Al jaren vraag ik me dat af. Wat is het dat onze verwondering diep in de doofpot van onze stijgende dagen stopt? Waarom worden zoveel mama’s en papa’s frigide voor het wonder?

Bureaucraten van de dagen.

Overal zie ik het gebeuren, die onrustwekkende verdwijning, en steeds meer denk ik dat het luiheid is. Gemakzucht.

En alsof ze het weten, schieten ze in een levenslange kramp van dagelijkse drukdoenerij, in een razernij van functionaliteit, in een belachelijke ernst, in een verbeten verantwoordelijkheid, met een muggengaas van onaantastbaarheid om zich heen – om toch maar niet meer gestoken te worden door de gevaarlijke wesp van de verwondering.

Permalink Geef een reactie

Kleine dagen (Bernard Dewulf)

augustus 12, 2010 at 11:22 am (Boekencitaten, Vlaamse auteurs)

Hoe schrijf ik het uit mijn hoogte nog op. Zo volkomen zit zij, suikerspin van licht en kindertijd. Vertelt zichzelf nog aan zichzelf, schrijft met één haar op haar knie aan de enige eeuwigheid die ons bezoekt.

Razendsnel haalt hij mij in. Mijn verval is zijn bloei. Ooit moet ook ik in zo’n gave camouflage hebben gewoond: een soort engel tussen jongen en man. Nog geen gram vergankelijkheid te zien. Een vel als sneeuw zonder de kattenpoten van de jaren. Waar de zwaartekracht nog tevergeefs aan trekt.

En hoe ik naar zijn punten kijk: terwijl ik tuimel in de tijd. Hoe hij voor me staat in mijn vrees en vlees van toen. Hoe ik nu de vader speel, hoe ik nu de vader naspeel. Hoe ik tegelijk hem én mij ben. Hoe wij bij elkaar staan om een rapport als vertrouwde en vreemde afspraken.

Permalink Geef een reactie

Kleine dagen (Bernard Dewulf)

augustus 12, 2010 at 11:13 am (Boekencitaten, Vlaamse auteurs)

Het zat al in het eerste licht van de feestdag. Dat het zo’n dag zou worden. Sommige van de scherpste herinneringen zijn aan de onscherpte van zulke dagen. Dagen dat we draaiden in de dagen. Hangerig. Uitzichtloos. …

Amper had zij de slaap uit haar oogjes gewreven of ze zei: ik verveel me. Ik zei: schat, het is Hemelvaartsdag. Dat begreep ze niet helemaal. Het is ook niet uit te leggen. Zeg ‘Hemelvaartsdag’ en iets gaapt. Iets eeuwig landerigs ontwaakt. Elk seizoen heeft hemelvaartsdagen. …

Maar verveling is als een muggensteek. Je weet dat hij overgaat en krabt je toch kapot. Je krabt aan een onbepaalde droefenis, die op hemelvaartsdagen als een requiem over het ontbijt hangt.

Permalink Geef een reactie

Kleine dagen (Bernard Dewulf)

augustus 12, 2010 at 11:07 am (Boekencitaten, Vlaamse auteurs)

Nog jaren zal het duren. Eerder zullen ze de wetten van de fysica beheersen dan die van het fatsoen. Misschien omdat fatsoen nog meer fictie is. Leg maar eens de fabel van de fooi uit, de parabel van ‘goeiemorgen’. Het sprookje van de samenleving. Roodkapje en zes miljard wolven.

Een kille zaterdag in de herfst van het Westen.

‘Hier was een speelplek.’ Volgebouwde grasveldjes met fantoompijn. Verkavelde ondergrond waaruit vrolijke spookgeluiden komen. Waar is de tijd dat beton nog ongewapend was. In die veranderde ruimte doen huidige ouders het nu in hun broek. … Hoe is het ooit zover gekomen? Een complot van Playstation en Google, wie weet. Vooral: wat spelen wij hardnekkig en doodsbang de binnenhuisarchitecten van hun geluk. Wat vrezen wij hun straatbeeld, wat slijpen wij de klok rond diamanten.

Permalink Geef een reactie

Kleine dagen (Bernard Dewulf)

augustus 12, 2010 at 10:21 am (Boekencitaten, Vlaamse auteurs)

Leg het maar eens uit. Ook in het ruisen van de bomen zit, als een doffe backing vocal, een vreemd geluid. … Ligt hier nog iemand in het zingende gras, languit in de schoonste jaren van zijn leven, te luisteren naar de tijd? Want hij is hier. Onmiskenbaar. Het liefst komt hij opdagen als wij joelen in zomerige parkavonden. … Hoe hij veinst stil te staan – een valse surplace in liefelijk licht – en intussen, achter onze nog sterke rug, zich de ziel uit zijn lijf loopt. Spurtend als een spook door het park. Moeiteloos de zwetende joggers voorbij. En warend om de picknickers.

Ziet er nog iemand hem zelfs in de beentjes klimmen van die kleine klimmers in de stokoude boom?

Het was zomeravond in het park. Grote mensen en kinderen bijeen. Wij dronken en aten, spraken en speelden. En meestal waren wij gelukkig nietsvermoedend – over dat rennnende, grijnzende spook om ons heen.

Permalink Geef een reactie

Next page »